Natuurlijk, het landbouwleven in Bolivia ís interessant. En in zekere zin is de bijenteelt erg avontuurlijk. Maar het avontuur waar wij ons goed bij voelen, onze natuurlijke habitat zeg maar, is van een heel andere aard. Harige spinnekoppen, giftige slangen, vuurspuwende draken... Dát hebben we nodig! En dus zijn we zonder twijfelen vanuit het hoge La Paz recht de jungle ingedoken. Per boot dan nog, Francisco de Orellana achterna.
Destijds is men de Amazone beginnen afvaren op zoek naar El Dorado, het rijk van de Man van Goud. De verhalen van dergelijke expedities, waarmee de gemaakte onkosten werden vergoelijkt, zijn erg fascinerend. Weerkerende elementen zijn reusachtige slangen, bloeddorstige indianen, dodelijke planten en - uiteraard - dorpen die baadden in het goud. Vaak werden de dappere ontdekkingreizigers als godslasterende fantasten beschouwd, maar wij weten beter. Niet alleen zijn die verhalen correct, de werkelijkheid is nog véél straffer!
Waren wij nog maar net met onze prauw gestrand op de oever van de Rio Kaka (we verzinnen het niet), of we werden benaderd door een vreemd figuur, vermoedelijk een moordzuchtige inboorling. Ons is het verhaal bekend van een Amazonestam die haar slachtoffers onthoofdt en vervolgens, bij wijze van vertier, de schedels laat krimpen tot de grootte van een appel en op een paal spiest. Dapper vatten wij de confrontatie aan, het hoofd enigszins in onze kraag geborgen.
Na omstandig handgeschud werd duidelijk dat deze krijger Spaans sprak, wat het vertrouwen aanzienlijk bevorderde. Bleek dat we te maken hadden met een inwoner van het goudzoekersdorp Uyapi, tevens vader van 8 kinderen en van nature erg sympathiek. We werden hartelijk uitgenodigd om 's avonds mee in de rivier te baden en kregen daar gul inzicht in de fantasie van onze vrienden goudzoekers. Onder de badplaats zat het niet alleen tjokvol met goud, er stroomden ook krachtige kosmische stralen doorheen. Hoewel ons Spaans niet altijd toereikend was om de finesses van het betoog te vatten, menen we toch verstaan te hebben dat er nog niet zo lang geleden ook UFO's waren geland. Na een nachtelijk bezoek aan de goudsorteringsmachine zochten we met fonkelende ogen onze tent op, zo nu en dan een spiedende blik op de hemel werpend.
De komende dagen verbleven we grotendeels in het tropische regenwoud. Voor wie het wil weten: ja, het regent er. Het is er ook mooi groen en zo nu en dan ruikt het er naar look. Veel wildlife valt er niet te zien (een ongelukkige piraña uitgezonderd), maar we zouden er 's nachts toch niet alleen willen rondlopen. Het oerwoud bemint wie het begrijpt. Wij wisten niks van zowat alles wat erin leeft en leerden dus vooral de vijandige kant kennen, zijnde dorens op al wat maar in de buurt van je hoofd komt en een hele resem insecten, die één van ons duchtig te grazen hebben genomen. We troffen er ook de meest vreemde planten aan, zoals een wandelende boom (letterlijk!), een boomvretende liaan en niet te vergeten de arbol del diablo, oftewel... de duivelsboom.
Inheemse stammen vertellen dat wie verdwaalt in het woud, door boosaardige aardmannetjes naar de duivelsboom wordt geleid, waarna een bacchanaal plaatsgrijpt waar menig romein zijn bekomst van zou hebben. De volgende ochtend ontwaakt de verdwaalde ziel, volslagen krankzinnig, om nooit meer het woud te verlaten.
Wij geloven niet in aardmannetjes en de rest van het verhaal doet ons teveel aan onze studententijd denken. Onze apetijt voor het mysterieuze was niettemin gewekt en, op zoek naar de diepste geheimen van het woud, besloten we een sjamaan op te zoeken en samen met hem het sap te drinken van de zeldzame Ayahuasca-liaan. Dit eeuwenoude ritueel verdrijft alle boze geesten uit het lijf en heet een unieke ervaring te zijn. Na een eerste fase van totale verkramping volgt de fysieke zuivering, waarna de boze geesten uit elke denkbare lichaamsopening komen gespoten; nadien volgen de hallucinaties. Het ritueel eindigt met een gevoel van innerlijke rust en voldoening.
Toen we echter hoorden dat seks en rood vlees eten verboden was de dagen voor het ritueel, hebben we zonder pardon het hele idee laten varen. Kakken en kotsen ten behoeve van onze innerlijke gelukzaligheid, tot daar aan toe, maar dát was toch wel erg veel gevraagd. Het gevolg laat zich raden voor wie onze vorige avonturen heeft gelezen: we zijn zo snel als we konden de bus op gestapt richting La Paz, vér weg van die al te bizarre wereld.
vrijdag 26 oktober 2007
vrijdag 19 oktober 2007
het leven zoals het is
Wie onder onze lezers kan zeggen dat hij of zij de voorbije week ernstige inspanningen heeft gedaan om de wereld te verbeteren? Niemand? Wij ook niet, wees gerust. Het ecotoerismeproject waarover we reeds schreven werd uiteindelijk te prematuur bevonden en is tot nader order uitgesteld. In plaats daarvan hebben we de wereld op ons af laten komen en ons gulzig gelaafd aan het mannah van de weidse Samaipataanse regio.
Samen met Andres, de sympathieke eigenaar van onze uitvalsbasis Andoriña, namen we deel aan een voorlichtingsdag van de FAN (Fondación Amigos de la Naturaleza) over duurzame bijenteelt. De aandacht van de voorlichter, die zijn werk erg goed deed, ging hoofdzakelijk naar veiligheid, hygiëne en gezamenlijke afzetmogelijkheden. Die van de boeren daarentegen ging naar een bijenkoningin die zichzelf scheen te hebben verhangen - met veel verbeelding een metafoor voor de geschiedenis van Bolivia. De aandacht van Andres, tot slot, werd vooral opgeëist door enkele agressieve bijen die in zijn masker waren verzeild geraakt, tot hilariteit van de lokale boeren. Wij keken toe en zagen dat het goed was.
De daaropvolgende dag bracht de laadbak van een vrachtwagen ons naar een bioboerderij in Bermejo, een gehucht niet ver van Samaipata. Enkel twee waakhonden gaven thuis en ook na een halve dag wachten (gelukkig hing er een hangmat) kwam niemand opdagen. Bij een andere boerderij hadden we meer succes. Het eigenaarskoppel plande de volgende dagen naar Santa Cruz te gaan en zocht dringend een oppas voor hun bloedjes van kinderen. Wij voelden ons geroepen en kregen waar we zo vurig naar verlangen. Het leven zoals het is: de bioboerderij. Ofwel, om half 6 opstaan om de koeien te melken, ontbijt maken voor onszelf, de pagadders en een paar gestrande Duitsers (intussen nonchalant de teken uit ons lijf plukkend) en erwten oogsten, véél erwten oogsten...
De regio van Bermejo is gezegend met de nabijheid van het Amazonewoud en bijhorend ongedierte. Wanneer we 's avonds onze insectenbeten (zie foto) te rusten legden op een matras in het hok naast de keuken, doodop en naar aarde en kikkererwten ruikend (stromend water was enkel een luxe voor 's ochtends, toen er moest worden afgewassen), beseften wij hoe gelukkig we wel waren. Dergelijke ervaringen zijn immers van onschatbare waarde, niet? Sol, de vrouw des huizes, kon onze ervaringen daarentegen wel naar waarde schatten: 5 dollar per kop per dag zou, samen met 9 uur noeste arbeid, volgens haar volstaan als vergoeding voor brood, rijst, groenten en matras. Lichtelijk geïrriteerd door een dergelijke geldzucht kozen we - zonder te betalen uiteraard - het hazenpad, terug naar ons luizenleventje in Samaipata.
Het dorpsleven biedt in onze ervaring vele voordelen ten opzichte van dat van het hippieachtige subsistence farming. Douches, toiletten, hangmatten en zo nu en dan een feestje ter ere van de heilige Maagd Maria; meer hebben wij niet nodig. Dergelijke feestjes beginnen om 5u 's ochtends met chicha (zie Sylvester) en fanfaremuziek en gaan gemakkelijk een paar dagen in dezelfde trend door. Vreemdelingen zijn ook welkom! Bij het binnenkomen werd ons spontaan een halfleeggedronken bekertje voorgeschoteld, dat we na een flinke slok weer doorgaven aan onze laveloze buurman. Zo nu en dan een voorstel tot partnerruil beleefd weigerend, vonden wij het daar aangenaam toeven. De onvoorwaardelijke vriendschap die ons door de in chicha gemarineerde jeugd in het oor werd geschreeuwd, stond in schril contrast met de berekende vriendelijkheid van onze bomenknuffelende bioboeren.
Bij gebrek aan werk en omdat iedereen ons vol lof over La Paz had verteld, besloten we het laaggebergte te ruilen voor de imposante Andes, waar zich de admistratieve hoofdstad bevindt. Een dorpje op weg daarheen, met de naar salsa en mojito geurende naam Buena Vista, herbergt de grootste koffiecoöperatieve van het land. Bolivia heeft een erg korte geschiedenis in de koffieteelt - maximum 30 jaar - maar het groeipotentieel is enorm. Net als in de apicultuur en bij uitbreiding in gelijk welke andere sector is er veel nood aan techische assistentie. Nog veel belangrijker is dat het marktgericht denken hier dringend moet worden geïntroduceerd. Wij bezochten de plantages en verwerkingsinstallaties van Agricabv, de organisatie die zich het lot van de prille koffieboeren aantrekt. Voor de rest valt er in Buena Vista minder te beleven dan op een blauwe maandag in Zichem-Zussem-Bolder (een half-vermakelijk Colombiaans circus te na gelaten) dus we zaten al snel weer de bus op, eerst naar Cochabamba, om vervolgens La Paz te bereiken, waar we nu zijn en als alles volgens plan verloopt, de komende maand gaan blijven.
Busreizen komen hier vaak ten berde, en ook nu kunnen we het niet laten. Laatstvermelde rit bracht inwendig heel wat naar boven - in tegenstelling tot eerdere busreizen enkel in figuurlijke zin. Een van thuis meegebrachte muziekcollectie, niet ontdaan van enige sentimentele connotatie, werd handig aangewend om het gesnurk van onze achterbuur mee te verdoezelen. Zo kwam het dat wij naast onze fysieke verplaatsing ook een mentale reis doorheen de tijd maakten. Momenten van contemplatie als deze zijn als een lakmoesproef voor onthechting.
Samen met Andres, de sympathieke eigenaar van onze uitvalsbasis Andoriña, namen we deel aan een voorlichtingsdag van de FAN (Fondación Amigos de la Naturaleza) over duurzame bijenteelt. De aandacht van de voorlichter, die zijn werk erg goed deed, ging hoofdzakelijk naar veiligheid, hygiëne en gezamenlijke afzetmogelijkheden. Die van de boeren daarentegen ging naar een bijenkoningin die zichzelf scheen te hebben verhangen - met veel verbeelding een metafoor voor de geschiedenis van Bolivia. De aandacht van Andres, tot slot, werd vooral opgeëist door enkele agressieve bijen die in zijn masker waren verzeild geraakt, tot hilariteit van de lokale boeren. Wij keken toe en zagen dat het goed was.
De daaropvolgende dag bracht de laadbak van een vrachtwagen ons naar een bioboerderij in Bermejo, een gehucht niet ver van Samaipata. Enkel twee waakhonden gaven thuis en ook na een halve dag wachten (gelukkig hing er een hangmat) kwam niemand opdagen. Bij een andere boerderij hadden we meer succes. Het eigenaarskoppel plande de volgende dagen naar Santa Cruz te gaan en zocht dringend een oppas voor hun bloedjes van kinderen. Wij voelden ons geroepen en kregen waar we zo vurig naar verlangen. Het leven zoals het is: de bioboerderij. Ofwel, om half 6 opstaan om de koeien te melken, ontbijt maken voor onszelf, de pagadders en een paar gestrande Duitsers (intussen nonchalant de teken uit ons lijf plukkend) en erwten oogsten, véél erwten oogsten...
De regio van Bermejo is gezegend met de nabijheid van het Amazonewoud en bijhorend ongedierte. Wanneer we 's avonds onze insectenbeten (zie foto) te rusten legden op een matras in het hok naast de keuken, doodop en naar aarde en kikkererwten ruikend (stromend water was enkel een luxe voor 's ochtends, toen er moest worden afgewassen), beseften wij hoe gelukkig we wel waren. Dergelijke ervaringen zijn immers van onschatbare waarde, niet? Sol, de vrouw des huizes, kon onze ervaringen daarentegen wel naar waarde schatten: 5 dollar per kop per dag zou, samen met 9 uur noeste arbeid, volgens haar volstaan als vergoeding voor brood, rijst, groenten en matras. Lichtelijk geïrriteerd door een dergelijke geldzucht kozen we - zonder te betalen uiteraard - het hazenpad, terug naar ons luizenleventje in Samaipata.
Het dorpsleven biedt in onze ervaring vele voordelen ten opzichte van dat van het hippieachtige subsistence farming. Douches, toiletten, hangmatten en zo nu en dan een feestje ter ere van de heilige Maagd Maria; meer hebben wij niet nodig. Dergelijke feestjes beginnen om 5u 's ochtends met chicha (zie Sylvester) en fanfaremuziek en gaan gemakkelijk een paar dagen in dezelfde trend door. Vreemdelingen zijn ook welkom! Bij het binnenkomen werd ons spontaan een halfleeggedronken bekertje voorgeschoteld, dat we na een flinke slok weer doorgaven aan onze laveloze buurman. Zo nu en dan een voorstel tot partnerruil beleefd weigerend, vonden wij het daar aangenaam toeven. De onvoorwaardelijke vriendschap die ons door de in chicha gemarineerde jeugd in het oor werd geschreeuwd, stond in schril contrast met de berekende vriendelijkheid van onze bomenknuffelende bioboeren.
Bij gebrek aan werk en omdat iedereen ons vol lof over La Paz had verteld, besloten we het laaggebergte te ruilen voor de imposante Andes, waar zich de admistratieve hoofdstad bevindt. Een dorpje op weg daarheen, met de naar salsa en mojito geurende naam Buena Vista, herbergt de grootste koffiecoöperatieve van het land. Bolivia heeft een erg korte geschiedenis in de koffieteelt - maximum 30 jaar - maar het groeipotentieel is enorm. Net als in de apicultuur en bij uitbreiding in gelijk welke andere sector is er veel nood aan techische assistentie. Nog veel belangrijker is dat het marktgericht denken hier dringend moet worden geïntroduceerd. Wij bezochten de plantages en verwerkingsinstallaties van Agricabv, de organisatie die zich het lot van de prille koffieboeren aantrekt. Voor de rest valt er in Buena Vista minder te beleven dan op een blauwe maandag in Zichem-Zussem-Bolder (een half-vermakelijk Colombiaans circus te na gelaten) dus we zaten al snel weer de bus op, eerst naar Cochabamba, om vervolgens La Paz te bereiken, waar we nu zijn en als alles volgens plan verloopt, de komende maand gaan blijven.
Busreizen komen hier vaak ten berde, en ook nu kunnen we het niet laten. Laatstvermelde rit bracht inwendig heel wat naar boven - in tegenstelling tot eerdere busreizen enkel in figuurlijke zin. Een van thuis meegebrachte muziekcollectie, niet ontdaan van enige sentimentele connotatie, werd handig aangewend om het gesnurk van onze achterbuur mee te verdoezelen. Zo kwam het dat wij naast onze fysieke verplaatsing ook een mentale reis doorheen de tijd maakten. Momenten van contemplatie als deze zijn als een lakmoesproef voor onthechting.
donderdag 4 oktober 2007
soep die terugblikt
Nee hoor, we zijn niet ontvoerd. En we zijn jullie al evenmin vergeten. We hebben het gewoon een beetje druk gehad, de laatste tijd. Enfin, druk... Niet in de betekenis van 7 tijdzones rechts van ons, maar toch behoorlijk bezig. Hebben we al gezegd dat we in Santa Cruz geweest zijn?
Wel, na enkele dagen Sucre - 2 daarvan zoals gezegd nogal weelderig, de volgende meer back to basics - hadden we het daar stilaan gezien en onverdroten baanden we ons een weg naar Santa Cruz, hoofdstad van het gelijknamige departement en motor van de Boliviaanse economie. Onverdroten, dat wil zeggen, 14u de rammelbus op, zonder sanitaire stop. Het bedorven cakeje, dat een niet nader genoemde net voor de busreis naar binnen werkte, zou de volgende dagen stevig weerwraak nemen op al dat horizontale (cocha cama, noemen ze dat hier) gehobbel.
Aangekomen in Santa Cruz, gingen onze zintuigen in staking. Even dachten wij nog dat er iets in beider neusgaten was verzeild geraakt (wie zo'n busreis heeft meegemaakt weet dat dit goed mogelijk is), maar toen onze ogen het ook lieten afweten en enkel in grijstinten schenen te functioneren, was het duidelijk: het is de tijd van de chaqueos. Chaqueo is een gezellig en exotisch woord, dat staat voor het afbranden van oerwoud ten gunste van sojaproductie of de suikerrietteelt. Oordelen vellen we niet, ons leespubliek is hiervoor te sterk gediversifieerd, maar wie ons kent weet wat we denken. Feit is dat de rook die hierdoor wordt veroorzaakt over het hele departement hangt en zwaar op het gemoed drukt. Ons éénsterrenhotelletje kon ook weinig verlichting brengen en werd na 3 nachten geruild voor een (even dure) hostal met tropische binnenkoer; hangmatten en huistoekans kregen we er gratis bij.
Bij gebrek aan scenic view of iets dat ook maar enige toeristische apetijt kon opwekken, maakten we van Santa Cruz de uitvalsbasis voor onze jobhunt. Begaan met het wereldschoon en enige verwantschap voelend met al wat vegeteert of domweg in het wild rondhuppelt, begon onze zoektocht bij het WWF. Na een abusievelijke passage (verkeerde huisnr.) bij Youth With a Mission, een jeugdig zootje ongeregeld dat het kerstenen nog niet heeft opgegeven, belandden we bij Fondación Amigos de la Naturaleza, beheerder van het immense nationaal park Noell Kempff Mercado. Na twee uur wachten en ondertussen een oogballensoep - soep die terugstaart, het doet iets met je - te hebben uitgelepeld in een nabijgelegen 'restaurant', kregen we het e-mailadres van de directeur mee en konden we Santa Cruz verlaten.
Katrien, een sympathieke Belgische bio-ingenieur die we eerder waren tegengekomen, had ons intussen zonder het zelf te beseffen warm gemaakt voor het boerenleven. Het kon niet anders dat onze volgende stap het boerengat Samaipata was, vanwaar we dit nu schrijven. Vastbesloten hier niet te vertrekken zonder diploma organic farming in onze zak, zochten we gisteren de grootste bioboer uit de streek op, met rugzak en al. Bleek dat we de volgende ochtend (vanmorgen dus) tussen 6 en half 7 moesten terugkomen. Wij dus onze tent vlak bij het erf opgezet, voor de volle 80 eurocent. De nacht viel met het gehuil van een wolf.
Wolven zijn zeldzaam in dit land, en een husky (die we op het boerenerf hadden gezien) maakt ook een dergelijk lawaai, maar om ons met die 80 cent niet al te zeer bekocht te voelen, hebben we onszelf en elkaar in de waan gelaten van een unieke, landelijke ervaring. Deze ochtend was er geen boer te bekennen; hij lag wellicht nog in bed zoals elk normaal mens. Een ochtendwandeling leek de voor de hand liggende optie, waarbij we (zonder verder gevolg) betrapt werden op het heimelijk en volkomen illegaal betreden van UNESCO-beschermd archeologisch Incaterritorium.
Dus zitten we nu terug in het dorp, het geld dat we gisteren hebben uitgespaard werd gul besteed aan een culinair genotzame maar intestinair te beklagen berg verse groenten en een degelijke hostal. Waar we, zomaar uit het niets, een voorstel hebben gekregen om mee te werken aan het opstarten van een ecotoerismeproject.
Wel, na enkele dagen Sucre - 2 daarvan zoals gezegd nogal weelderig, de volgende meer back to basics - hadden we het daar stilaan gezien en onverdroten baanden we ons een weg naar Santa Cruz, hoofdstad van het gelijknamige departement en motor van de Boliviaanse economie. Onverdroten, dat wil zeggen, 14u de rammelbus op, zonder sanitaire stop. Het bedorven cakeje, dat een niet nader genoemde net voor de busreis naar binnen werkte, zou de volgende dagen stevig weerwraak nemen op al dat horizontale (cocha cama, noemen ze dat hier) gehobbel.
Aangekomen in Santa Cruz, gingen onze zintuigen in staking. Even dachten wij nog dat er iets in beider neusgaten was verzeild geraakt (wie zo'n busreis heeft meegemaakt weet dat dit goed mogelijk is), maar toen onze ogen het ook lieten afweten en enkel in grijstinten schenen te functioneren, was het duidelijk: het is de tijd van de chaqueos. Chaqueo is een gezellig en exotisch woord, dat staat voor het afbranden van oerwoud ten gunste van sojaproductie of de suikerrietteelt. Oordelen vellen we niet, ons leespubliek is hiervoor te sterk gediversifieerd, maar wie ons kent weet wat we denken. Feit is dat de rook die hierdoor wordt veroorzaakt over het hele departement hangt en zwaar op het gemoed drukt. Ons éénsterrenhotelletje kon ook weinig verlichting brengen en werd na 3 nachten geruild voor een (even dure) hostal met tropische binnenkoer; hangmatten en huistoekans kregen we er gratis bij.
Bij gebrek aan scenic view of iets dat ook maar enige toeristische apetijt kon opwekken, maakten we van Santa Cruz de uitvalsbasis voor onze jobhunt. Begaan met het wereldschoon en enige verwantschap voelend met al wat vegeteert of domweg in het wild rondhuppelt, begon onze zoektocht bij het WWF. Na een abusievelijke passage (verkeerde huisnr.) bij Youth With a Mission, een jeugdig zootje ongeregeld dat het kerstenen nog niet heeft opgegeven, belandden we bij Fondación Amigos de la Naturaleza, beheerder van het immense nationaal park Noell Kempff Mercado. Na twee uur wachten en ondertussen een oogballensoep - soep die terugstaart, het doet iets met je - te hebben uitgelepeld in een nabijgelegen 'restaurant', kregen we het e-mailadres van de directeur mee en konden we Santa Cruz verlaten.
Katrien, een sympathieke Belgische bio-ingenieur die we eerder waren tegengekomen, had ons intussen zonder het zelf te beseffen warm gemaakt voor het boerenleven. Het kon niet anders dat onze volgende stap het boerengat Samaipata was, vanwaar we dit nu schrijven. Vastbesloten hier niet te vertrekken zonder diploma organic farming in onze zak, zochten we gisteren de grootste bioboer uit de streek op, met rugzak en al. Bleek dat we de volgende ochtend (vanmorgen dus) tussen 6 en half 7 moesten terugkomen. Wij dus onze tent vlak bij het erf opgezet, voor de volle 80 eurocent. De nacht viel met het gehuil van een wolf.
Wolven zijn zeldzaam in dit land, en een husky (die we op het boerenerf hadden gezien) maakt ook een dergelijk lawaai, maar om ons met die 80 cent niet al te zeer bekocht te voelen, hebben we onszelf en elkaar in de waan gelaten van een unieke, landelijke ervaring. Deze ochtend was er geen boer te bekennen; hij lag wellicht nog in bed zoals elk normaal mens. Een ochtendwandeling leek de voor de hand liggende optie, waarbij we (zonder verder gevolg) betrapt werden op het heimelijk en volkomen illegaal betreden van UNESCO-beschermd archeologisch Incaterritorium.
Dus zitten we nu terug in het dorp, het geld dat we gisteren hebben uitgespaard werd gul besteed aan een culinair genotzame maar intestinair te beklagen berg verse groenten en een degelijke hostal. Waar we, zomaar uit het niets, een voorstel hebben gekregen om mee te werken aan het opstarten van een ecotoerismeproject.
Abonneren op:
Posts (Atom)