zaterdag 17 november 2007

God en de Koning samen op de roetsjbaan

La Paz. De hoogste (administratieve) hoofdstad ter wereld, ingesloten door prachtige besneeuwde bergen, sommige meer dan 6.000 meter hoog. Een halve slakom, tot aan de rand volgestouwd met lelijke grijze of rode blokken, prachtige barokke kerken, koloniale gebouwen met golfplaatdak. En 's nachts, vanuit ons appartementje: een kerstboom met flikkerlichtjes. La Paz is ook 's werelds grootste roetsjbaan. Ze rammelt met je ingewanden, bonkt op je hoofd, perst alle lucht uit je longen en doet je benen tintelen. Maar al die ongemakken verdwijnen - of je leert ermee leven.

Dat gezegd zijnde, veel tijd om van de stad te genieten, hebben we niet tegenwoordig. Sinds onze terugkeer uit de jungle werken we in een opvanghuis voor straatkinderen in El Alto, de hoger gelegen en armtierige voorstad van La Paz. Het huis is de eerste etappe van vier, die de kinderen moet voorbereiden op een 'fatsoenlijk' leven, zonder geweld, zonder drugs, mét werk, mét God.

[Met dat laatste hebben we het nogal moeilijk - de kinderen doorgaans ook - maar de christelijke geloofsgemeenschap (evangelische of Rooms-katholieke) is hier bij de voornaamste bronnen van liefdadigheid. In plaats van te bidden aan tafel denken we dan in stilte aan onze trouwe lezers.]

'Onze' jongens zijn tussen 10 en 15 jaar oud en hebben heel recente herinneringen aan het straatleven: de lijm, de vrijheid, het geweld, de honger. Soms leeft het hele gezin op straat, maar veelal zijn ze van huis weggelopen, mishandeld en verwaarloosd. Ze komen naar het opvanghuis uit vrije wil en jammergenoeg vertrekken ze er soms, ook uit vrije wil. In het huis worden ze geholpen met het afleren van enkele gewoontes (stelen, vechten, druggebruik), worden ze ingeschreven in school en - misschien het allerbelangrijkste - krijgen ze de aandacht en affectie die ze stuk voor stuk hebben moeten missen. Wij helpen met huiswerk, geven Engelse les, ontluizen de jongens die pas zijn toegekomen, gaan met hen naar het hospitaal, wandelen mee tot aan de schoolpoort, spelen voetbal... Tussendoor regelen we een capoeirademonstratie, proberen we een voetbaltraining te organiseren met hun favoriete nationale ploeg en schooien we bij winkels voor boeken waarmee we een bibliotheekje willen maken.

Onze organisatie was in het begin heel kritisch - om niet te zeggen: cynisch - tegenover onze bevlogen initiatieven. "Dit is Bolivia, dat gaat hier zomaar niet!" Wij zijn intussen ook al een paar keer met onze neus op de realiteit gedrukt (in Bolivia is inderdaad niets zo eenvoudig als het zou kunnen zijn) maar merken toch dat veel van dat cynisme onterecht was. We zien onszelf in België nog niet binnenvallen bij de directeur van het Koning Boudewijnstadion en daar 10 minuten later buitenkomen met de belofte van structurele samenwerking. Hier kan dat dus wel.
Ons huidig leventje bestaat - gelukkig - uit meer dan enkel werken. In het weekend proberen we zoveel mogelijk van onze vrije tijd te genieten. Vorig weekend hebben we onszelf getrakteerd op een hotel met zwembad en sauna (16 euro per kamer!) in de Yunga's, de zone tussen hooggebergte en oerwoud. Uitstekend klimaat, zowel voor de cocateelt als voor het betere zwembadgeplons. En gisteren (vrijdag) zijn we via via op een decadent feestje verzeild geraakt ter ere van de Dag van de Dynastie, georganiseerd door de Belgische attaché voor ontwikkelingssamenwerking. Lichtjes under-dressed (gescheurde jeans...) en een halve eeuw jonger dan de andere genodigden (waaronder een resem ambassadeurs en vice-ministers) hebben we voor de eerste keer in ons leven de Brabanconne gezongen en het glas geheven op onze vorst. Waarbij één van ons, mogelijk door champagne aangemoedigd, dit ontroerende tafereel besloot met een welgemikt 'Vive la République!'.